Achter de horizon

Fer Vereecken


Herinneringen aan een logeerpartij op “De Oude Stoof” van Ferdinand Vereecken, zoon van Liza Derijcke en Jan Vereecken

Ik zal ongeveer 5 jaar oud zijn geweest toen wij vanuit Scheveningen op vacantie kwamen in Zeeland. Logeren bij opa en opoe Derijcke op “De Oude Stoof”. Voor mij, als kleine jongen, was het een hele grote reis. Eerst met de trein en dan nog met de pont over het water. Daarna, als ik het mij nog goed herinner vanaf het veer met een stoomtreintje naar Hengstdijk.
Wij stapten uit en de vitrage achter verschillende huizen bewoog heen en weer. Er werd gegluurd: want, daar kwam Liza met haar man en twee kinderen op vacantie! Mijn vader was destijds coniërge op de lagere school en kreeg zowaar twee hele weken vacantie, voor de meeste mannen in die tijd (begin jaren 30 van de vorige eeuw) was dat niet weggelegd.

Eduard en ik vonden het allemaal heel spannend. Wij sliepen in het oude huis. Volgens mij met al de ooms en tantes op zolder, waar we geen oog dicht deden van de muggen. Zij staken ons helemaal lek en wanneer we tegen de ochtend eindelijk in slaap vielen werden we wakker van de centrifuge – die “De Futer” werd genoemd- en die dacht ik gebruikt werd om de room van de melk te scheiden. Ons bed uit en wassen aan de pomp buiten. In de keuken was er geen kraan. We vonden het water niet lekker smaken maar wel verfrissend.

De w.c. was ook buiten. Een houten hokje met een deur met een hartje erin uitgesneden. Binnenin een ouderwetse poepdoos met een rond gat erin. In het hokje hing altijd een aparte lucht want je kon niet doortrekken. Ik was als kind altijd bang dat ik in het gat zou vallen. Wanneer je klaar was hoorde je een plons. Volgens mij gooiden ze de inhoud op het land.

Opoe was een gezellige opoe. Ze liep altijd te neurieën. Eens in de week bakte ze brood in een stenen, ronde oven die gestookt werd met takkebossen. Het brood was rond, erg lekker en ik denk ook heel gezond. Opoe maakte het brood klaar en sneed het brood tegen haar buik aan nadat ze er eerst een kruisje over had gemaakt. Ik denk uit dank voor het voedsel.

Eduard en ik hadden volop speelruimte. Wij mochten ook mee met opa of een oom voor op de bok van de wagen. Zij hielden dan één voet op de kont van het paard. Wanneer het paard een scheet liet moesten wij altijd vreselijk lachen. Dit paard had een veulen, waar ik erg gek mee was. Op een morgen werd het veulen verkocht en daar kon ik niet tegen. Ze namen de merrie haar kind af en beiden gingen vreselijk tekeer. Ook ik moest hard huilen, ik vond het heel erg gemeen.

Wij gingen ook op bezoek bij de buren die een timmermanswerkplaats hadden. Kriekaard heetten ze geloof ik. Op het moment van bezoek waren ze een doodskist aan het timmeren. Ze vroegen of ik er in wilde gaan liggen, in de overtuiging dat ik dat toch niet zou durven. Maar het kon me helemaal niets schelen, en ik stapte vrolijk in de kist waarna het deksel werd gesloten.

Oom Fons beloofde mij een echte leren voetbal die hij op het eind van de vacantie zou meebrengen. Hij hield woord, alleen was het een buitenbal zonder binnenbal, dus ik had er nog niets aan!

Al met al vloog de vacantie voorbij. Ik ben geloof ik drie keer meegeweest. Na de oorlog in 1946, ging ik alleen. Opa was toen al overleden. Na al die jaren (ik ben nu zelf 81 jaar) is het gevoel levend gebleven hoe welkom ik daar was en hoe lief ik alle mensen daar vond.

Fer Vereecken – Culemborg, april2011