Achter de horizon

Linda van den Bergen


Linda's verhaal

Mijn naam is Linda van den Bergen. Net als enkele van mijn voorgangers in deze rubriek ben ik op Hengstdijk geboren en getogen. Geboren op 8 juni 1968. En getogen totdat een studie me er op mijn 18e toe bracht om het Zeeuws-Vlaamse te verruilen voor een stad aan de andere kant van de Westerschelde. In mijn tijd ging je nog eerst naar de kleuterschool aan het begin van de Norbertijnenstraat, waar nu een rijtje huizen is neergezet en vervolgens naar de ‘grote school’. De eerste drie klassen bij juffrouw Remijn, de vierde bij meester Schelfhout Sr. die daarna werd opgevolgd door zijn zoon meester Fons. Hoewel mijn klas maximaal uit zeven kinderen bestaan heeft, was de harde kern waarmee ik alle lagere schooljaren in dezelfde klas heb gezeten een groep van vijf, zijnde Franka van den Bulck, Saskia van Zwieten, Edwin van Stevendaal, Wilfried van Waterschoot en ikzelf. Na de lagere school splitste dit groepje zich in meerdere fragmenten en ik ben alleen met Wilfried samen naar het Jansenius gegaan. Na het VWO ben ik gaan studeren. Eerst een jaartje Psychologie in Nijmegen, daarna de opleiding Fysiotherapie in Breda, iets wat me duidelijk veel beter lag. Na wat omzwervingen (o.a. gedurende een anderhalf jaar werken in een ziekenhuis in Noord-IJsland) had ik in 1995 het geluk te kunnen starten met een eigen praktijk in Bergen op Zoom. Daar ben ik nog steeds werkzaam en inmiddels ook gespecialiseerd tot Manueel therapeut. Verder ben ik getrouwd en heb twee zonen. Zoontjes eigenlijk, want ze zijn respectievelijk bijna twee jaar en een kleine vijf maanden en vallen dus nog in de categorie ‘handenbindertjes’. We wonen in Hoogerheide.

Toen ik bij de voorbereiding op dit stukje nadacht over wat voor herinneringen ik nog had aan Hengstdijk als woondorp, gingen mijn gedachten eigenlijk vrij automatisch steeds weer naar mijn lagere schooltijd. Toen had ik natuurlijk ook de leeftijd waarop alles wat voor mij belangrijk was, zich nog op het dorp zelf afspeelde en ik was redelijk veel buiten. Mijn herinneringen zijn daarom onsamenhangende flarden van zo’n dertig-plus jaar geleden die vooral een tijdsbeeld geven van een jeugd in de jaren zeventig op het platte land. Een aantal van die flarden springen er voor mij wel uit, bijvoorbeeld:

  • In het najaar van 1972 verhuisden wij van de Norbertijnenstraat naar de Kievitstraat. Ons teakhouten kastje en skaileren bankstel werden geladen op een boerenkar en door Bella, de Zeeuwse knol van opa Boeijkens, op het gemakje het dorp door gereden. Dat maakte indruk. Niet vanwege die kar, wel vanwege de verhuizing. Achteraf gezien had dat natuurlijk precies andersom moeten zijn. Maar toen ik vier was bestond de term ‘CO2-neutraal’ voor zover ik weet nog niet. Zo zie je maar …. kom ik onbedoeld toch nog uit een familie die z’n tijd ver vooruit was.
  • Iets totaal anders wat ik vooral in de herfst nog regelmatig op mijn netvlies heb, is de activiteit van het ‘walnoten knuppelen’. Daar waren bij mijn weten drie geschikte locaties voor: 1. de sloot achter de kerk, tussen het kerkhof en de voormalig pastorie. 2. de hoek Zuiddijk en dijk van de kleine Hengstdijkpolder. 3. de voormalige bunker aan het eind van de Oostdijk. De eerste - natuurlijk veruit favoriet vanwege z’n centrale ligging - was in de herfst een ware hangplek van kinderen die er hun kostje bij elkaar kwamen knuppelen. Dat een en ander zich voor een klein deel afspeelde op gewijde grond was niet iets waar wij ons erg bewust van waren en dus zorgen om maakten. Maar het is een keer een doorn in het oog gebleken van een Hengstdijkenaar die ons aangaf bij de toenmalige koster. Deze kon niet anders dan ons een waarschuwing geven maar door de gematigde toon waarmee dit gepaard ging, dachten wij te kunnen concluderen dat het allemaal wel meeviel. De activiteiten zijn in elk geval gewoon doorgegaan, zij het misschien tijdelijk op een wat lager pitje.
  • In mijn jeugd was de Vogel nog bereikbaar vanuit het dorp. Dat leverde vertier in zomer en winter. In de zeventiger jaren kon je nog jaarlijks de schaatsen wel onder binden, zij het dat het sommige jaren beperkt bleef tot het ondergelopen weiland in de Putting. Wat minder vaak maar toch ook regelmatig konden we ook op de Vogel, het ultieme wintergevoel. En in de zomer maakten wij kinderen dan af en toe een vishype door. Met een vast hengeltje en wat ‘piezewurmen’ werden er dan toch wel minstens twee palinkjes per seizoen bovengehaald. De dikte van mijn ringvinger, alleen iets langer en daar moest het vel dan nog vanaf, want de buit werd natuurlijk steevast mee naar huis genomen om in de pan te belanden. Als ik lees wat voor middelen op dit moment worden ingezet om de palingstand weer op peil te brengen dan schaam ik me.
  • Verder was ik met enige regelmaat ook te vinden op de varkensboerderij van van den Bulck, bij Franka, aan de Plevierstraat. De activiteiten die we daar ontplooiden waren divers en zeer des plattelands, mag ik wel zeggen. Kijken bij een zeug die aan het baren was, aardappels poffen, evenwichtskunstjes boven de mesthoop en - last but not least - slakken vangen waren enkele van de vele vormen van vertier op de boerderij. Dat laatste trouwens deden we in de vorm van een wedstrijd. U zult begrijpen, het ging daarbij niet om snelheid. Nee, het was meer een behendigheids- en durfspel. De slakken bevonden zich namelijk in een grote strook behoorlijk hoge ‘tingels’ tussen de weg en een flinke sloot. Wie had de meeste slakken binnen een van te voren gestelde tijd, dat was de opdracht. De winnaar kreeg geen prijs, enkel de eer en na afloop haalden we een eierdopje azijn om de opgelopen brand mee weg te deppen. Tja, we hadden toen nog geen Nintendo tenslotte.

De anekdotes zijn maar een greep uit veel meer vooral plezierige herinneringen van mijn vroege jeugd in Hengstdijk. Ik hoop dat mensen er iets in herkennen en als iemand wil reageren dan zou ik dat leuk vinden. Mijn e-mailadres is lindavandenbergen@gmail.com .

Groet en misschien tot ziens op Hengstdijk.

Linda van den Bergen, april 2009