Achter de horizon

Timo de Rijk


Herinneringen aan Hengstdijk

Ik ben er allang weg, maar toch voelt Hengstdijk altijd nog een beetje dichtbij. Want natuurlijk gaan de indrukken van je jeugd een leven lang mee. Ik ben er geboren in 1963, midden op het dorp in de Kerkstraat 5C, net als mijn twee zussen Tanja en Ilja. Het was een klein huis, helemaal als ik het nu terug zie, maar toen voelde dat als kind helemaal niet zo. Mijn ouders Paul de Rijk en Roos Strobbe (‘import’ van Rapenburg) konden het huren toen ze in 1962 trouwden en het nieuw opgeleverd werd. Even later stond achter ons ‘de nieuwe wijk’ in de steigers.

Een nieuwe wijk, maar in de jaren zestig was het moderne leven in Hengstdijk nog maar een beetje doorgedrongen, zo leek het tenminste. Mijn moeder herinner ik me toen vooal op de fiets, met mijn zus Tanja in een zitje voorop en ik achter. Vast op weg naar zwemles want dat was in Kloosterzande, waar een nieuw, eerst nog onverwarmd, zwembad was gebouwd. In die tijd werd ook een voetbalveld, achter de school aangelegd, kwam er een kleuterschool (die was er blijkbaar niet!), en even later zelfs een gymnastiek lokaal. Ook reed op een gegeven moment de biblio-bus, op donderdag middag half 4 als ik het goed heb. Wat een wereldvinding vond ik dat, ik heb er alle boeken gelezen die ik te pakken kreeg, zelfs die voor de volwassenen.

De boodschappen deden we bij zus Bun, bij Lies van Buiten en toch zeker ook bij Vaal tegenover ons, waar ik zonder het goed te begrijpen van mijn moeder ‘een gesneden regerings’ moest halen. Schijtebroekje als ik was, plagen mijn zussen me nu nog wel eens dat ik nauwelijks alleen naar het cafe van Eugene de Kort durfde om voor mijn vader een pakje shag of Caballero te halen. Het kan niet ontkend worden, als 8 jarig knaapje deed ik het in mijn broek voor die luide stemmen in dat rokerig lokaal, en dat ik ’Zjen’ ook niet zo bijster goed verstond, zal zeker niet geholpen hebben. Ik herinner me heel goed dat de visboer met zijn kar de mossels per kilo leverde en ook dat mijn moeder bij de melkboer met een emaille koker van Brabantia de melk kocht. Maar ik weet ook nog wel dat in Hulst en Terneuzen de eerste supermarkten kwamen en het was nog wel een kwestie of we daar met de auto, een Simca 1100, naar toe zouden gaan. Mijn moeder was een middenstands-dochter tenslotte.

Als kind was je eigen huis natuurlijk het middelpunt van je wereld, maar op Hengstdijk was ons tweede thuis zeker dat van oma, Louise de Bruijn, de moeder van mijn vader. Ze verloor in 1960 op jonge leeftijd haar man (Rudolf de Rijk), die ik daarom jammer genoeg nooit gekend heb. Oma bestierde een postkantoor, aan het eind van de Sint Jozefstraat, de oudere Hengstdijkenaar vertel ik ongetwijfeld niks nieuws. Ze was daar ooit begonnen, in een van de kamers van het door mijn opa gebouwde huis, zodat de voordeur vooral ingang van het postkantoor was en het grote gezin (2 meisjes (Tineke en Carla) en 5 jongens (Paul, Karel, Walter, Frank en Johan) het met de rest van de kamers moesten stellen. Ik herinner me dat mijn vader ergens in de jaren zeventig (!) centrale verwarming en een badkamer aanlegde. Toen was alleen Johan nog thuis, hetgeen ervoor zorgde dat in oma’s huis zo’n beetje de duurste stereo installatie en in haar schuur de mooiste motor stond die ik lange tijd zag.

Met het cafe, was het postkantoor een natuurlijk middelpunt van het dorp. Je kon er terecht voor postzegels en briefkaarten, maar zeker ook voor de laatste nieuwtjes, die mijn oma aan het loket hoorde en even zo vrolijk weer doorvertelde. In onze familie gaat nog steeds het hardnekkige gerucht dat mijn oma eerder van de verkering van mijn ouders wist, dan zij zelf. Een oplettende inwoner van het dorp had hen een uurtje voordat hij met de fiets bij mijn oma aanlegde, nog pink aan pink op de kermis in Rapenburg zien lopen....

Ik was altijd dol op mijn oma, ik zie nog voor me hoe ze (soms ook letterlijk!) in haar broek kon plassen van het lachen, liefst om niks natuurlijk, en ook hoe lekker eigengereid ze kon zijn. ‘s ochtend werd er koffie gedronken, en ‘s middags en ‘s avonds ook, en als er iemand kwam dan werd het ijs gebroken met het zo snel mogelijk aanzeten van de DE koffiemachine, een kop thee was tenslotte ‘als een klap in je gezicht’ zoals ze zelf zei. Een eenvoudig leven, maar als ik terug kijk zie ik hoe groots en menselijk ze omging met de moderne wereld die de hare binnekwam. Niet in de laatste plaats door haar kinderen die bijna allen uit Zeeland wegtrokken. Tijdens haar leven liep de kerk leeg, sloten de winkels, en verloren de boeren de macht over de dorpsgemeenschap. In plaats daarvan keek ook zij naar een werkelijk enorme kleurentelevisie, kreeg ze buren die ze niet kende en werd de boerenwei achter haar huis een recreatie terrein, waar ze, godbetert, entree voor moest betalen. Sonnevelds Dorp leek ooit op het hare en het boek ‘Hoe God verdween uit Hengstdijk’ had over haar leven en dat van haar generatiegenoten geschreven kunnen worden.
Nadat we in Hengstdijk gewoond hadden, maakte ik nog wel mee dat het dorpse leven als weinig bij de tijd werd gezien. Misschien heb ik dat zelf ik nog wel gevonden. Er was immers niks, geen bioscoop, geen disco en geen supermarkt. Maar wat een voordelen en kansen biedt zo’n dorp ook, weet ik nu! Ik zat in een klas met 10 kinderen, en dat was zelfs nog de grootste van school! Nu ik zelf drie jonge kinderen heb, kan ik me ook nauwelijks meer de vrijheid van toen voorstellen, zeker niet in het drukke Rotterdam waar we nu wonen: zwerven door de polder, illegaal vissen in ‘de Haaf’, zwemmen in de Vogel en voetballen tot het donker is. Allemaal met mijn vriendjes van toen; Stefan Hageman, broer Jean-Paul en Martin van de Bulck, Marcel en Nico Strooband. Met meisjes spelen deed je geloof ik niet, al hoopte ik altijd wel dat er een aanleiding was om Jeanette Dophermont op het schoolplein tegen te komen.

De donkerste wolk in de jaren zeventig was voor ons allen zonder veel twijfel het ongelofelijk jong overlijden van Mark de Waal. Ik herinner me nog heel goed dat we hem een Arendsoog-boek gaven, terwijl hij al zo ziek op zijn bed voor het raam lag. Niet veel later brachten we zijn kistje door de kerk naar het altaar. Ik heb de beste gedachten aan Hengstijk, maar ik wil deze geschreven herinnering graag opdragen aan zijn nagedachtenis.

En in het kort, hoe het verder ging

Ik meen dat we in 1975 verhuisden naar Terneuzen, waar mijn zussen en ik naar het Zeldenrust-college gingen. We studeerden daarna, in Leiden, Rotterdam en Den Haag. Ilja en ik wonen in Rotterdam, Tanja, via een langdurige omweg eerst in Duitsland, woont nu in Australie. Mijn vrouw Margot en ik hebben 3 kinderen, die allen in de leeftijd zijn, waarop ik in Hengstdijk woonde. Voor mijn werk rij ik bijna elke dag richting het noorden. Ik ben hoogleraar design, eerst in Amsterdam en nu aan de universiteit van Leiden en van de TU Delft. Als we met z’n allen naar het zuiden rijden hebben we vaak vrij: we bezoeken dan meestal mijn ouders die nog steeds gezond en wel in Terneuzen wonen, in het huis dat we toen betrokken.

Timo de Rijk, mei 2014